Werkproeven (origineel JRTCN)
Een aantal van deze proeven, zijn in 1993 door de toenmalige rasvereniging voor de Parson & Jack Russell Terriërs, de J.R.T.C.N. erkend en opgenomen in hun werkhonden certificaat reglement, hetzij in enigszins gewijzigde vorm. De vereniging wilde een eis stellen binnen het fokbeleid: elke Parson of Jack Russell Terriër dekreu van elke fokker zou moeten kunnen werken.
Helaas werden hierdoor de normen waaraan een werkhond zou moeten voldoen verlaagd. Ondanks dat deze eis inmiddels binnen het fokbeleid verdwenen is, wordt er door de opvolgers van de toenmalige J.R.T.C.N. nog steeds met deze verlaagde normen gewerkt.
Hieronder worden dan ook de originele proeven beschreven, aan de hand waarvan in de jaren 80 en 90 de werkcapaciteiten beoordeeld werden en waarop toekomstige proeven gebaseerd zullen worden.
U wordt er opgewezen dat onderstaande proeven auteursrechterlijk zijn beschermd en nimmer zonder voorafgaande schriftelijke toestemming gebruikt mogen worden.
Werkhonden Basisproef 1: Appeloefening
Opmerking:
Bij het werken met aardhonden wordt minder appel vereist, dan bij het werken met andere jachthonden. Toch is het noodzakelijk dat de voorjager de hond bij zich kan roepen en zonodig kan aanlijnen.
Opdracht:
De voorjager komt met een aangelijnde hond bij de keurmeester. Op aanwijzing van de keurmeester maakt de voorjager de hond los en geeft deze een commando om vrij te gaan. De hond dient zich daarop in alle vrijheid op het terrein te begeven en zich minimaal 15 meter van de voorjager te verwijderen. Het voldoende afstand nemen is noodzakelijk indien de hond als drijfhond gebruikt wordt of gaat worden. Dat is als de hond gedurende een jacht zelfstandig percelen moet uitdrijven. Op een teken van de keurmeester roept dat de voorjager de hond bij zich en lijnt deze weer aan.
Beoordeling:
Algemeen
• De nadruk ligt op een vrij gedragspatroon van de hond en het voldoende afstand willen nemen van de voorjager.
• Indien de voorjager van zijn plaats komt om een stukje met de hond meet te lopen, leidt dit tot puntenaftrek.
• Het geven van meer dan 2 commando's om de hond terug te laten komen leidt tot puntenaftrek.
• Het bij het terugkomen urineren of een behoefte doen van de hond, leidt tot puntenaftrek.
• Het niet of niet-probleemloos aanlijnen van de hond bij terugkomst, leidt tot puntenaftrek.
Onvoldoende:
De proef is onvoldoende afgelegd indien de hond bij de voorjager blijft staan of niet verder afstand neemt dan 5 meter. Daarnaast leidt de proef tot onvoldoende indien de hond na herhaaldelijke commando's niet bij de voorjager wil komen.
Voldoende:
De proef is voldoende afgelegd indien de hond binnen één minuut, nadat met de proef gestart is, voldoende vrij is en afstand van de voorjager heeft genomen en vervolgens, met enkele commando's (in ieder geval meer dan 2), binnen redelijke tijd bij de voorjager terugkomt en zich laat aanlijnen.
Volmaakt:
De proef is volmaakt afgelegd indien de hond vlot en vrij gaat, snel afstand neemt tot voorbij 15 meter en vervolgens na maximaal 2 commando's van de voorjager, onmiddelijk en snel bij de voorjager terugkomt en zich zonder problemen laat aanlijnen.
Werkhonden Basisproef 2: Schotvastheid
Opmerking:
Omdat de hond vaak in combinatie met een geweer wordt gebruikt, is het noodzakelijk dat de hond schotvast is. Als de hond niet schotvast is, is de kans aanwezig dat de hond na een schot geen werklust meer vertoont.
Opdracht:
De voorjager komt met een aangelijnde hond bij de keurmeester. Voor aanvang van de proef deelt de keurmeester de voorjager mede dat deze, indien de hond na het schot niet verder wil, op zijn teken naar rechts of links moet lopen. Op aanwijzing van de keurmeester loopt de voorjager met de aangelijnde hond in de richting van de helper. Op het moment dat de afstand van de voorjager en de hond tot de helper ongeveer 20 meter is, geeft de keurmeester een teken waarop de helper schiet. De voorjager loopt zonder onderbreking tot bij de helper.
NB. Indien de hond na het schot niet meer in de richting van de helper wil lopen, gaat de voorjager op aanwijzing van de keurmeester naar links of rechts.
Beoordeling:
Algemeen:
• De nadruk ligt op een hond die geen schotschuw gedrag vertoont, nieuwsgierig of alert is en/of de herkomst van het schot wil bepalen.
• De hond, na het schot, door mondelinge commando’s of lijnsignalen dwingen zijn weg te vervolgen leidt tot puntenaftrek. Er dient slechts van lichte dwang sprake te zijn. Bruusk optreden tegen de hond om deze te dwingen zijn weg te vervolgen heeft diskwalificatie tot gevolg. Zulks ter beoordeling van de keurmeester.
Onvoldoende:
De proef is onvoldoende afgelegd indien de hond ernstig schotschuw gedrag vertoont. Dit is als de hond van het schot probeert weg te komen door springen en rukken aan de lijn waarbij de hond angstsignalen vertoont als “staart tussen de benen” en “angstoren”.
Voldoende:
De proef is voldoende afgelegd indien de hond twijfelt, maar toch zijn weg vervolgt. Eventueel onder lichte dwang van de voorjager.
Goed tot volmaakt:
De proef is goed tot volmaakt afgelegd indien de hond totaal geen angst vertoont en nieuwsgierig, alert of passievol zijn weg vervolgt.
Werkhonden Basisproef 3: Game maken van de hond
Opmerking:
Deze proef is bedoeld om de hond fel te maken op de vos (“game” maken). De felheid (“gameness”) van de hond dient dusdanig te zijn, dat de hond wil werken om bij de vos te komen. Dit moet resulteren in vlot onderlopen, aanblaffen en dergelijke. Deze proef wordt niet beoordeeld, maar dient als basis voor de proeven 4, 5 en 6.
Opdracht:
Een groep van ongeveer 4 voorjagers gaan met hun aangelijnde honden op een door de keurmeester aan te geven plaats zitten. De voorjagers houden de honden bij voorkeur met de handen vast. Eventueel kunnen de voorjagers de honden ook kort aan de lijn vasthouden. De keurmeester gaat met een pels met geur, de hond “game” maken. Door middel van een mechaniek wordt de pels over een afstand van ongeveer drie meter respectievelijk naar links of rechts bewogen. Tevens is het mogelijk de pels uit het zicht van de hond te doen verdwijnen. De voorjager zorgt ervoor dat de hond niet los kan schieten. Wanneer de keurmeester de hond “game” genoeg acht, maakt hij aan de voorjager kenbaar dat de hond de pels mag bemachtigen. Het is de bedoeling dat de hond de pels grijpt, op het moment dat deze voorbij komt.
• De voorjager mag de hond aanmoedigen (dit is niet hetzelfde als belonen).
• De voorjager zorgt er ten alle tijde voor dat de hond op het moment van bijten op dezelfde plaats blijft (door een plotselinge opheffing van de belemmering kan de hond schrikken).
Beoordeling:
Onvoldoende:
De proef is onvoldoende afgelegd indien de hond angst vertoont en/of niet te activeren is.
Voldoende:
De proef is voldoende afgelegd indien de hond naar het oordeel van de keurmeester voldoende ‘game” is.
Goed tot volmaakt:
De proef is goed tot volmaakt afgelegd indien de hond tijdens de gehele proef voldoende “game” is en de pels bemachtigt als deze binnen het bereik van de hond komt.
Werkhonden Basisproef 4: Uitwerken van een geur/sleepspoor
Opmerking:
Tijdens het werken met de hond op de bouw, of tijdens de jacht op gedreven vos, is het mogelijk dat een vos aangeschoten wordt. De aangeschoten vos kan dan onderlopen of zich buiten de bouw schuilhouden. Het is ook mogelijk dat de vos reeds dood is. Om de vos alsnog te bemachtigen kan de hond ingezet worden om door middel van een door de vos achtergelaten geur of zweet(bloed)spoor de vos te lokaliseren.
Opdracht:
De voorjager komt met een aangelijnde hond bij de keurmeester. De keurmeester geeft de voorjager aan waar het sleepspoor begint en in welke richting deze getrokken is. Bij het trekken van de sleep dient er rekening mee gehouden te worden dat hond vanaf het begin van de sleep bij voorkeur schuin tegenwind heeft. Aan het einde van de sleep, die minimaal 100 meter is, verdwijnt het spoor in een bouw. De hond moet dit aangeven. De proef wordt aangelijnd uitgevoerd met een lijn van ongeveer 3 à 4 meter. Indien de hond van het spoor afwijkt geeft de voorjager de hond de gelegenheid om op eigen initiatief het spoor weer op te pakken. Zonodig geeft de voorjager aan waar het spoor zich vervolgt.
Beoordeling:
Algemeen:
• De nadruk ligt op het zelfstandig uitwerken van de sleep door de hond.
• Extra commando’s of correcties om de hond het sleepspoor te laten oppakken leidt tot puntenaftrek.
• Indien de voorjager de hond herhaaldelijk met commando’s of correcties op het sleepspoor terug moet zetten, heeft dit puntenaftrek tot gevolg.
• Indien de hond pas na een of meerdere commando’s of correcties op het einde van de sleep bij de bouw van de vos tekent, leidt dit tot puntenaftrek.
Onvoldoende:
De proef is onvoldoende afgelegd indien de hond het sleepspoor niet oppakt, niet uitwerkt en niet tekent op de bouw. Tevens wordt de proef onvoldoende. beoordeeld indien de voorjager teveel steuncommando’s aan de hond dient te geven om het sleepspoor uit te werken.
Voldoende:
De proef is voldoende afgelegd indien de hond met slechts enkele commando’s van de voorjager de sleep uitwerkt en, eventueel met steun, tekent voor de bouw van de vos.
Goed tot volmaakt:
De proef is goed tot volmaakt afgelegd indien de hond de sleep duidelijk oppakt, deze geconcentreerd en geheel zelfstandig uitwerkt en op eigen initiatief op de bouw van de vos tekent.
Werkhonden Basisproef 5: Aangeven van de bewoonde bouw
Opmerking:
De voorjager moet aan het gedrag van de hond kunnen afleiden of een bouw al dan niet bewoond of belopen is.
Opdracht:
De voorjager komt met een aangelijnde hond bij de keurmeester. De keurmeester wijst de plaats aan waar zich de bouw bevindt. De bouw bestaat uit drie pijpen. De onderlinge afstand tussen de pijpen bedraagt ongeveer 2 meter. De pijpen dienen een diameter te hebben van ongeveer 25 bij 30 cm voor wat betreft de eerste 25 cm. Daarna dienen de pijpen een diameter te hebben van 15 cm. De totale lengte van de pijpen dient ongeveer 1 meter te zijn. Aan het einde van een van de pijpen bevindt zich een geurende vossenhuid. De voorjager mag zich niet binnen 1 meter van de pijpen begeven of bevinden. Hij dient de hond minimaal 1 meter lijn te geven. Op het commando van de voorjager begeeft de hond zich naar de pijpingangen en moet vervolgens (zoveel mogelijk zelfstandig de pijpen afzoeken en aangeven welke pijp bewoond is. De voorjager dient, nadat de hond alle drie de pijpen onderzocht heeft, de keurmeester te vertellen welke van de pijpen bewoond ofwel belopen is. Dit uiteraard gebaseerd op het tekenen van de hond.
Beoordeling:
Algemeen:
• De nadruk ligt op een hond die na een commando van de voorjager zelfstandig de pijpen op aanwezigheid van een vos onderzoekt. Niet reageert op onbewoonde pijpen, doch fel reageert, in de vorm van luid geven of graven, in de bewoonde pijp.
• Ondersteunen met commando’s is toegestaan, maar leidt tot puntenaftrek. De hond dient de onbewoonde pijpen vrijwel te negeren en alleen te reageren bij de bewoonde pijp.
• Indien de hond verhoogde activiteit, zoals luid geven, vertoont bij een onbewoonde pijp, leidt dit tot puntenaftrek.
• Indien de hond niet tekent bij een bewoonde pijp leidt dit tot puntenaftrek.
• Indien de voorjager de juiste pijp aanwijst, zonder dat de hond hierop tekende, leidt dit tot puntenaftrek.
• Indien de voorjager een foute pijp aanwijst als de juiste, terwijl de hond op de juiste pijp tekende, leidt dit tot puntenaftrek.
De voorjager dient er zorg voor te dragen dat de hond niet op of tegen de pijpen urineert of zijn behoefte doet. Dit leidt tot puntenaftrek.
Onvoldoende:
De proef is onvoldoende afgelegd indien de hond geen interesse toont voor de pijpen, bij de verkeerde pijpen verhoogde activiteiten vertoont of niet reageert op de juiste pijp.
Voldoende:
De proef is voldoende afgelegd indien de hond, eventueel na aanmoediging interesse in de pijpen vertoont. Nauwelijks of niet reageert op de onbewoond pijpen en matig reageert op de bewoonde pijp.
Goed tot volmaakt:
De proef is goed tot volmaakt afgelegd indien de hond, na het startcommando, de drie pijpen vlot en zelfstandig afzoekt. Niet reageert op de onbewoonde pijpen, doch fel reageert in de vorm van onderlopen, graven of luid geven bij de bewoonde pijp.
Werkhonden Basisproef 6: Onderlopen van de bouw (pijp a, b en c)
Opmerking:
De werkende aardhonden, waaronder de Jack Russell Terriërs, zullen om de vos te laten “springen”, vlot in een bouw onder moeten lopen.
Opdracht:
Er zijn een drietal pijpen gegraven, oplopend in moeilijkheidsgraad. Pijp A heeft een I-vorm, pijp B heeft een L-vorm en pijp C een U-vorm. Door middel van een mechaniek kan een vossenpels, identiek of bijna identiek aan de vossenpels, gebruikt bij het "game maken"door de pijpen getrokken worden. De voorjager komt met een aangelijnde hond bij de keurmeester. De voorjager gaat op aanwijzing van de keurmeester op ongeveer 4 meter van pijp A op de knieën zitten en maakt de lijn van de hond los. De voorjager dient de hond met beide handen vast te houden. Op een teken van de keurmeester laat de helper de vossenpels op korte afstand van de hond bewegen, met als doel de hond "game" te maken. Wanneer de hond voldoende "game"is, wordt op een teken van de keurmeester de vossenpels in de pijp getrokken en verdwijnt deze uit het zicht. Kort daarna laat de voorjager, na een teken van de keurmeester, de hond los. Deze dient direct de pijp in te lopen. De vossenpels wordt snel door de pijp buiten het bereik van de hond getrokken (vluchtpijp). De voorjager dient zich, nadat de hond ondergelopen is, direct naar de andere zijde van de pijp te begeven. De hond dient de pijp aan de andere kant te verlaten. Terwijl de helper de vossenpels nog even laat zien, vangt de voorjager de hond zo snel mogelijk op en gaat met de hond goed vastgepakt naar pijp B. Hier herhaalt zich de hele procedure. Na het nemen van pijp B volgt dan nog het onderlopen in pijp C. Indien de hond zo snel onderloopt dat hij in de bouw de vossenpels pakt, zal de helper ervoor dienen te zorgen dat de "vos" enige weerstand aan de hond biedt. De bedoeling is dat de hond de "vos" achteruit naar buiten werkt (apporteert). Vervolgens pakt de voorjager de hond en neemt zo snel mogelijk, doch met tact, de "vos" uit de vang van de hond en beloont hem. De "vos" gaat vervolgens voor de ogen van de hond de bouw weer in. Tijdens het uitvoeren van deze proef kan een volgende voorjager met zijn hond vast op enige afstand van de proef gaan zitten, teneinde de hond "game" te maken.
Beoordeling:
Algemeen:
• De nadruk ligt op een hond die zonder aarzelen en vlot in de 3 verschillende pijpen onderloopt, deze in zijn geheel doorloopt en ze aan de achterkant verlaat.
• De hond dient de pijpen na een startcommando geheel zelfstandig te nemen. Aanmoedigen mag. Dit leidt echter tot puntenaftrek. De hond mag onder geen beding gedwongen worden onder te lopen. De hond met fysiek geweld in een bouw proberen te duwen, leidt tot diskwalificatie en uitsluiting van het examen.
• De hond mag pas op een teken van de keurmeester los gelaten worden. Het voortijdig loslaten van de hond heeft puntenaftrek tot gevolg. Indien de hond tot drie keer toe voortijdig wordt losgelaten volgt automatisch een onvoldoende.
• Voor het onderlopen van de drie pijpen worden drie respectievelijke cijfers gegeven. Het gemiddelde van deze drie cijfers bepaalt het eindcijfer.
• Indien de hond onderloopt doch vervolgens weer terugkeert, leidt dit tot puntenaftrek.
• De hond mag twee keer ingezet worden om in de bouw onder te lopen. Dit heeft wel puntenaftrek tot gevolg.
• Indien de hond bij één pijp tot twee keer toe niet wil onderlopen, krijgt men voor het onderlopen van die specifieke pijp een onvoldoende.
• Alleen indien de hond de bouw geheel doorloopt en deze aan de achterkant verlaat krijgt men een 6 of hoger.
• Indien de hond de “vos” in de bouw te pakken krijgt en deze achterwaarts uit de pijp apporteert, mag de hond de proef op deze pijp opnieuw uitvoeren. Met dien verstande dat het cijfer nooit lager dan een 6 kan worden.
Onvoldoende:
De proef is onvoldoende afgelegd indien de hond niet op de pels reageert en niet onder wil lopen. Tevens is de proef onvoldoende indien één van de cijfers van de drie onder te lopen pijpen minder is dan 6. Indien fysiek geweld gebruikt wordt om de hond in een bouw te dwingen, volgt automatisch diskwalificatie en uitsluiting van het examen.
Voldoende:
De proef is voldoende afgelegd indien de hond niet of matig op de pels reageert, aarzelend onderloopt, maar de pijpen geheel neemt. Waarbij de cijfers voor het nemen van de afzonderlijke pijpen 6 of hoger moeten zijn.
Goed tot volmaakt:
De proef is goed tot volmaakt afgelegd indien de hond fel op de pels reageert. Vlot in de drie pijpen onderloopt en aan de achterkant weer boven komt.
***
De Parson Russell Terrier is oorspronkelijk gefokt voor de vossenjacht, maar werd en wordt ook veelvuldig gebruikt voor de jacht op ongedierte.
Sinds in Nederland de nieuwe Flora- en Faunawet van kracht is gegaan, mag er niet meer vrij op de vos worden gejaagd.
Om de Parson Russell Terrier toch het oorspronkelijk bedoelde karakter te kunnen laten behouden, is het van belang geweest een simulatie van de vossenjacht te ontwikkelen om de aanleg van de hedendaagse Parson Russell Terrier te kunnen testen.
De rasvereniging (destijds de JRTCN) heeft een aantal 'Werkhondenproeven' ontwikkeld: WHC-I A en B en WHC-II. Er bestaat ook nog een WHC-III, maar aangezien dat een praktijkproef is op echte natuurlijke vossenbouwen, kan deze niet meer worden uitgevoerd.
Een aantal terrierrassen zijn gefokt voor de vossenjacht. Volgens de nieuwe Flora- en Faunawet is de jacht alleen nog geoorloofd voor beheer en/of schadebestrijding. De noodzaak tot het jagen van de vos zal eerst moeten worden aangetoond. Uw terrier kan in Nederland wel getraind worden voor deze jacht, maar u zult in de praktijk in Nederland nauwlijks kunnen jagen.
Binnen het Algemeen Veldwedstrijd Reglement van de ORWEJA voor Lopende honden, Dashonden en Terriers, zijn de Duitse Jachtterrier, de ruwharige en gladharige Foxterriër, de Jack Russell Terrier en de Parson Russell Terrier de enige terrierrassen die voor de status "werkende terrier" in aanmerking komen.





